Citaat | Gerechtshof Amsterdam 20 maart 2017
Alinea 129 Gerechtshof Amsterdam 20 maart 2017
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 20 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:797.
Op de keper beschouwd komt de stelling van de verdediging erop neer dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging in de gegeven omstandigheden niet ongeoorloofd was. Het hof vat het verweer daarom op als een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens verontschuldigbare dwaling omtrent de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op een dergelijke exceptie is vereist dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (vgl. Hoge Raad 23 mei 1995, NJ 1995, 631). Uit de bewijsoverwegingen onder het kopje ‘opzet’ volgt dat de verdachte niet handelde in onbewustheid van de ongeoorloofdheid van zijn weigering te verklaren, laat staan dat deze onbewustheid, mede gelet op hetgeen is aangevoerd, vervolgens ook verontschuldigbaar kan worden geacht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7e4fafb23ae94e499f1a64b658d289e4dba5f0210383c3736b87dd0af0816607. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7e4fafb23ae94e499f1a64b658d289e4dba5f0210383c3736b87dd0af0816607, en de alinea staat in dat document op bytes 46715 tot 47700.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7e4fafb23ae94e499f1a64b658d289e4dba5f0210383c3736b87dd0af0816607 | shasum -a 256