Citaat | Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2018

Onder 5.7 Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2145.

Zoals eerder is vastgesteld, was er ten tijde van de aanvang van de procedure in Nederland reeds een procedure in Rusland aanhangig gemaakt met betrekking tot de echtsscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Ook op dit punt is aldus sprake van litispendentie. De vraag of de Nederlandse rechter in geval van litispendentie ten aanzien van de vaststelling van de hoofdverblijfplaats rechtsmacht heeft dient beantwoord te worden aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299 (hierna: HKBV 1996). Artikel 3, aanhef en onder b, HKBV 1996 bepaalt immers dat het verdrag mede van toepassing is op maatregelen omtrent het gezag, met inbegrip van het recht om de verblijfplaats van het kind te bepalen, en zowel Rusland als Nederland zijn partij bij dit verdrag. Ingevolge het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van het HKBV 1996 dienen de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat die ingevolge de artikelen 5 tot en met 10 bevoegd zijn maatregelen te nemen ter bescherming van de persoon of het vermogen van het kind zich te onthouden van het uitoefenen van deze bevoegdheid indien, op het tijdstip van de aanvang van de procedure, om overeenkomstige maatregelen is verzocht aan de ingevolge de artikelen 5 tot en met 10 op het tijdstip van het verzoek bevoegde autoriteiten van een andere Verdragsluitende Staat en deze nog in beraad zijn. Niet in geschil tussen partijen is dat de man in juni 2016 een procedure in Rusland aanhangig heeft gemaakt, welke procedure ten tijde van de aanvang van de procedure in Nederland nog niet beëindigd was. Zoals artikel 13 HKBV 1996 aangeeft, wordt de vraag of de Russische rechter bevoegd was om van het verzoek omtrent de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] kennis te nemen bepaald in de artikelen 5 tot en met 10 HKBV 1996. Artikel 5 HKBV 1996 bepaalt (overeenkomstig artikel 8 lid 1 Brussel II-bis) dat de autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd zijn maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon en vermogen. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.6 reeds is overwogen, is het hof van oordeel dat ook in juni 2016 de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland was. Dit brengt mee dat de Russische rechter op grond van artikel 5 HKBV 1996 niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek omtrent de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . De artikelen 6 tot en met 10 van het HKBV 1996 kunnen evenmin tot bevoegdheid van de Russische rechter leiden. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat de Nederlandse rechter zich niet dient te onthouden van het uitoefenen van de aan artikel 5 HKBV 1996 en artikel 8 lid 1 Brussel II-bis ontleende bevoegdheid om kennis te nemen van het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] vast te stellen. De rechtbank heeft dan ook terecht hierover een beslissing genomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/06ff1d90e4768ee4c07dcc8b201745eb9d370aa8ab2d4cc81a05d330f7bc7d01. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 06ff1d90e4768ee4c07dcc8b201745eb9d370aa8ab2d4cc81a05d330f7bc7d01, en de alinea staat in dat document op bytes 24607 tot 27783.