Citaat | Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2018

Onder 3.4.3 Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:239.

Daarbij gaat het niet om een afweging gebaseerd op de feiten en belangen in een concreet geval, maar veeleer om een afweging in algemene zin. Dit valt ook af te leiden uit de overweging van de Hoge Raad in het arrest van 26 april 1968 (ECLI:NL:HR: 1968: AC4851) ten aanzien van het derde middel: “ dat de stelling, dat de vraag of een verschoningsrecht bestaat, beoordeeld moet worden op grond van een afweging van de in het concrete geval bij het al of niet afleggen van getuigenis betrokken belangen, niet aanvaardbaar is en hetzelfde geldt voor de stelling, dat het verschoningsrecht ruimer moet worden genomen in geval het een voorlopig getuigenverhoor betreft; .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/42439849c6980df18798e05827849995188f5423ceafb8bd8c64d9c83154bdb9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 42439849c6980df18798e05827849995188f5423ceafb8bd8c64d9c83154bdb9, en de alinea staat in dat document op bytes 21387 tot 22107.