Citaat | Gerechtshof Amsterdam 4 december 2018

Onder 3.11 Gerechtshof Amsterdam 4 december 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 4 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4462.

De betalingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten vonden plaats vanaf twee en/of-rekeningen waaraan, zoals gezegd, de kantonrechter ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden heeft ontleend. De echtgenote van [appellant] heeft verklaard dat zij de afschriften van de rekening eindigend op [nummer 1] bekeek. Betalingen uit hoofde van leaseovereenkomst I werden (ook) ten laste van deze rekening verricht (productie 1 en 2 bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie), hetgeen betekent dat het bewijsvermoeden ten aanzien van leaseovereenkomst I niet is ontzenuwd. Met betrekking tot de leaseovereenkomsten II en III, terzake waarvan de betalingen werden verricht van de rekening eindigend op [nummer 2] , volgt uit de verklaringen van de echtelieden dat [appellant] deze rekening beheerde. Hij deed de overboekingen en archiveerde de bankafschriften. De echtgenote van [appellant] heeft verklaard dat zij nooit keek op andere bankafschriften dan die van rekening [nummer 1] (en een andere, voor de procedure niet van belang zijnde rekening). Dat [appellant] heeft verklaard dat zijn echtgenote naar de eindsaldi van alle rekeningen keek, is mede gezien de ontkenning van zijn echtgenote, onvoldoende om aan te nemen dat zij aldus kennis heeft gekregen van de afschrijvingen en daarmee van het bestaan van de leaseovereenkomsten II en III. Gelet hierop kan op grond van de getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte stukken, ook in onderling verband en samenhang bezien, niet worden vastgesteld dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten II en III. Dexia wijst er op dat de echtgenote van [appellant] op 19 maart 2003 het Dexia Aanbod heeft medeondertekend, maar die stelling kan haar gelet op het voorgaande niet baten nu het een feit betreft van na 13 maart 2000. Dexia wijst ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid verder op verschillende omstandigheden, maar haar argumenten betreffen in essentie veronderstellingen. Voor zover de getuigenverklaringen tegenstrijdigheden bevatten, zijn deze van onvoldoende gewicht om deze als ongeloofwaardig te bestempelen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de werking van waarneming en geheugen zo haar beperkingen kent, zeker waar het hier gebeurtenissen van vele jaren geleden betreft. Daarbij past te aanvaarden dat zich tegenstijdigheden kunnen voordoen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f5d3cf49bd8c609d9f526371c490720a40ff7b7db7890b5080f04c23800c1973. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f5d3cf49bd8c609d9f526371c490720a40ff7b7db7890b5080f04c23800c1973, en de alinea staat in dat document op bytes 16069 tot 18516.