Citaat | Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2018

Onder 5.2. Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:448.

De verdediging is van mening dat de berekening van de kostenbesparing in het kader van het te berekenen vervolgprofijt uit de aflossing van een door de Rabobank aan [M B.V.] verstrekte kredietfaciliteit volstrekt willekeurig is vastgesteld. Er wordt immers uitgegaan van de hypothese dat de kredietfaciliteit nimmer zou zijn voldaan in het geval de veroordeelde geen geld zou hebben ontvangen van [slachtoffer] . Deze hypothese is niet waarschijnlijk temeer omdat de Rabobank reeds in 2003 aandrong op aflossing van de kasgeldlening. Voorts heeft te gelden dat [M B.V.] een afgescheiden vermogen vormt. Het voordeel dat deze B.V. zou hebben verkregen, kan derhalve niet zonder meer aan de veroordeelde worden toegerekend. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de veroordeelde dividend van € 1.235.632,67 uitgekeerd heeft gekregen dan wel de aandelen van de veroordeelde in [M B.V.] met dat bedrag in waarde zijn gestegen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4024249e581cf6b0e9c6eb6593cbabe961844e638c34ca7e7fb0436bdc26be4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4024249e581cf6b0e9c6eb6593cbabe961844e638c34ca7e7fb0436bdc26be4d, en de alinea staat in dat document op bytes 33482 tot 34418.