Citaat | Gerechtshof Amsterdam 11 december 2018

Onder 3.16 Gerechtshof Amsterdam 11 december 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 11 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4571.

Dräger heeft in eerste instantie primair verzocht het verzoek van [appellant] tot vernietiging van het ontslag op staande voet af te wijzen. Door afwijzing van het verzoek tot vernietiging, was het subsidiaire en kennelijk voorwaardelijke verzoek van Dräger tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7: 669 lid 3 aanhef en onder e BW (verwijtbaar handelen) en artikel 7: 669 lid 3 aanhef en onder g BW (een verstoorde arbeidsverhouding) niet aan de orde. Dräger heeft in hoger beroep het hof voorwaardelijk, te weten indien het hof het verzoek tot herstel toewijst, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van (een van) voornoemde gronden. Het hof heeft, zoals uit het voorgaande blijkt, in de omstandigheden van het geval aanleiding gezien het verzoek Dräger te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst toe te wijzen, daarmee implicerend dat dit de voorkeur verdient boven de toekenning van een billijke vergoeding. In dat oordeel ligt besloten dat het hof geen omstandigheden aanwezig acht die ertoe nopen dat de arbeidsovereenkomst tot een einde komt. Dat betekent dat, wat er ook zij van de mogelijkheid om in een geval als het onderhavige tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen, daartoe in elk geval geen grond bestaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7a6cedcd8d2be4359579a4bff41c7f25913ae16efdab42500244ace649a9105. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7a6cedcd8d2be4359579a4bff41c7f25913ae16efdab42500244ace649a9105, en de alinea staat in dat document op bytes 35816 tot 37114.