Citaat | Gerechtshof Amsterdam 14 december 2018

Onder 3.2.1 Gerechtshof Amsterdam 14 december 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 14 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4610.

Het hof begrijpt de verdediging aldus dat deze voorts heeft beoogd te betogen dat de opsporing onaanvaardbaar lang is voortgezet in de periode van 27 augustus tot en met 5 november 2015 en dat dit zelfstandig, doch in elk geval in samenhang met de andere gestelde vormverzuimen, een grond oplevert om in die lange duur van de opsporingsactiviteiten een vormverzuim te onderkennen. Het hof is van oordeel dat geen gronden bestaan om te oordelen dat de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden in casu, noch qua type opsporingsmiddel (waaronder het afluisteren van telecommunicatie, het inzetten van een OVC-traject en stelselmatige observatie) noch qua duur (ruim twee maanden), niet in overeenstemming is met de ernst van de verdenking (een voorgenomen levensdelict).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fe8563adefec8e9ba6cca0d2ee41b0407f09d2b9b13c38597981ca8b769aa96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fe8563adefec8e9ba6cca0d2ee41b0407f09d2b9b13c38597981ca8b769aa96, en de alinea staat in dat document op bytes 33881 tot 34665.