Citaat | Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2018

Onder 3.5 Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:577.

Hetgeen hiervoor is overwogen aangaande de onzekerheid over de rechten en verplichtingen over en weer brengt mee dat de vorderingen van BRI tot overdracht door Middenmeer van intellectuele eigendomsrechten, of althans een verbod om deze te gebruiken, in dit kort geding evenmin toewijsbaar zijn. Welke intellectuele eigendomsrechten Middenmeer ingevolge de investeringsovereenkomst had moeten inbrengen kan in de onderhavige procedure niet worden vastgesteld. Voorts is door BRI onvoldoende weersproken dat zij voor de dagelijkse gang van zaken de door haar gewenste rechten niet nodig heeft omdat zij de betreffende producten thans zonder probleem kan verhandelen. Dat de opstelling en handelwijze van Middenmeer zodanig is dat BRI een spoedeisend belang heeft bij overdracht van de (overigens onvoldoende geconcretiseerde) IE-rechten is niet aannemelijk. Daarbij komt ten slotte nog, dat BRI stelt dat deze rechten moesten worden ingebracht in de BV’s ‘BWFM Holding’ en ‘BWFM IP’. Niet is aannemelijk geworden dat BRI in plaats of ten behoeve van deze BV’s gerechtigd is om de rechten op te eisen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d07fbdbbac45679987f37c2d4ce9396ef708ae74849ef6149d31d51a5d3d7a43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d07fbdbbac45679987f37c2d4ce9396ef708ae74849ef6149d31d51a5d3d7a43, en de alinea staat in dat document op bytes 15032 tot 16157.