Citaat | Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2018

Onder 3.7 Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:652.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zittingen in hoger beroep is het volgende gebleken. [de minderjarige] verblijft sinds 2005 in het huidige pleeggezin. Uit de verschillende rapportages die zich bij de stukken bevinden - van onder andere de raad en het Haags Ambulatorium - blijkt dat [de minderjarige] goed gehecht is in het pleeggezin, hij zich daar de afgelopen jaren positief heeft ontwikkeld en het aldaar naar zijn zin heeft. [de minderjarige] heeft meermaals - waaronder in zijn gesprek met de voorzitter - en consistent verklaard in het pleeggezin te willen blijven. Het hof heeft in zijn beschikking van 20 december 2016 reeds overwogen dat de man al jarenlang een hevige strijd voert in het kader van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft van deze strijd veel last, hetgeen hem belemmert in zijn ontwikkeling. Dit blijkt onder andere uit het verslag van 11 september 2017 van de systeemtherapeut van [de minderjarige] , bij wie hij al geruime tijd onder behandeling is. Uit dit verslag komt naar voren dat [de minderjarige] angst blijft ervaren ten aanzien van de man. Deze angst wordt onder meer gevoed door de verschillende rechtszaken die lopen. Ter zitting in hoger beroep van 8 september 2016 leek het erop alsof de man op dat moment een andere, meer constructieve (proces)houding had aangenomen. Echter, uit de stukken van de deskundige, alsmede tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling op 12 oktober 2017 is het hof gebleken dat van een gewijzigde houding van de man geen sprake is. De man zet de strijd onverminderd voort en geeft met deze houding blijk geen inzicht te hebben in de behoeftes en belangen van [de minderjarige] . Gelet op deze omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat geen gronden aanwezig zijn om de man in het gezag over [de minderjarige] te herstellen, dan wel [de minderjarige] aan hem toe te vertrouwen. Ook ziet het hof, gelet op de handelwijze van de man als onder 3.1 omschreven, geen aanleiding om thans opnieuw een deskundigen- of raadsonderzoek te gelasten, zoals door de man is verzocht. De stelling van de man dat hij in klachtprocedures tegen de raad op, volgens hem, cruciale punten in het gelijk is gesteld, maakt dit – wat daar verder van zij – niet anders. In het voorgaande ligt besloten dat evenmin aanleiding bestaat te bepalen dat [de minderjarige] bij de man zal gaan wonen. De beslissing over de verblijfplaats van [de minderjarige] is aan de voogd. De verzoeken van de man met betrekking tot gezag en woonplaats zullen dan ook worden afgewezen en de bestreden beschikking zal in zoverre worden bekrachtigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e9c0d9ba49a2a60af6aa0c17943ce721ebe79cef1443f465960cc6783ad20d45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e9c0d9ba49a2a60af6aa0c17943ce721ebe79cef1443f465960cc6783ad20d45, en de alinea staat in dat document op bytes 30215 tot 32878.