Citaat | Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018

Onder 4.4.4. Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:83.

4.4.5.3. Naar het oordeel van het Hof kan – anders dan de inspecteur heeft betoogd – uit de parlementaire behandeling niet worden afgeleid dat de wetgever de hoogte van het forfaitair rendement (mede) op een nominalistische grondslag heeft gebaseerd, waarbij geen rekening zou moeten worden gehouden met het draagkrachtverminderende effect van inflatie. Weliswaar is in de kamerstukken sprake van een voorbeeld dat betrekking heeft op de invloed van inflatie op het reële rendement en is in dat verband een heffing over een lager dan het forfaitaire rendement afgewezen, maar daarbij ging het over de vraag of een heffing naar forfaitair rendement in combinatie met een tegenbewijsregeling wenselijk zou zijn, en niet over de onderbouwing van het voorgestelde forfaitair rendement als zodanig. Waar het de wetgever in dit verband om ging was dat het – in het kader van het voorgestelde robuuste stelsel, als eenmaal de hoogte van het forfaitair rendement wettelijk was vastgesteld – niet de bedoeling kon zijn om door middel van een tegenbewijsregeling met incidentele rentefluctuaties rekening te houden (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 279-280).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca0e94d8f7686dbc65b0aaa1e5f3f8fbcf465592a5f963b686fe4ba66f2ca9f4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca0e94d8f7686dbc65b0aaa1e5f3f8fbcf465592a5f963b686fe4ba66f2ca9f4, en de alinea staat in dat document op bytes 85172 tot 86355.