Citaat | Gerechtshof Amsterdam 2 april 2019

Onder 3.11 Gerechtshof Amsterdam 2 april 2019

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 2 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1101.

In dit verband doet zich voorts de vraag voor of hier sprake is van een gemeenschappelijke vordering waarvoor geldt dat alle deelgenoten in de gemeenschap als partij in de zin van artikel 67 Rv (oud) (thans: artikel 236 Rv) moeten worden beschouwd (vgl. ECLI:NL:HR:1992:ZC0586). In het geval van een gemeenschap is op grond van artikel 3:171 BW iedere deelgenoot in de gemeenschap in beginsel bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Indien een of meer deelgenoten met gebruikmaking van deze bevoegdheid een rechtsvordering ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten instellen, heeft het daarop gewezen en in kracht van gewijsde gegane vonnis bindende kracht voor alle deelgenoten, dus ook voor diegenen die niet als formele procespartijen aan het geding hebben deelgenomen. Dexia heeft zich op het - door Leaseproces weersproken - standpunt gesteld dat dit een mogelijke duiding van artikel 1:89 lid 5 Rv zou kunnen zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e5151dcf4545a5be18e0c67e4645cf161eac85c0ff67638dd877b544b4965b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e5151dcf4545a5be18e0c67e4645cf161eac85c0ff67638dd877b544b4965b4, en de alinea staat in dat document op bytes 20475 tot 21498.