Citaat | Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2019
Onder 3.14 Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2019
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:310.
Uit art. 4, lid 2, art. 5, lid 4 en art. 5, lid 5, van de Participatieovereenkomst volgt dat uit de opzegging van [A] de verplichting voor [A] tot aanbieding van haar aandelen, voor [E] de verplichting tot aanvaarding van die aandelen, voor [E] de verplichting tot aanbieding van haar certificaat B1 en voor [D] de verplichting tot aanvaarding van dat certificaat voortvloeit, een en ander tegen de in art. 5, lid 7 tot en met 9 gedefinieerde vergoeding. De in de eerste volzin van art. 5, lid 5, vanaf “tenzij” omschreven uitzondering op de aanvaardingsverplichting is in casu niet van toepassing, en voor het overige bevat de Participatieovereenkomst geen mogelijkheid om bij een opzegging van de verplichte aanbieding en aanvaarding af te wijken. Hierbij verdient opmerking dat ook in het “Tenzij” van art. 5, lid 20, gelezen in samenhang met leden 25 tot en met 28, niet een uitzondering op de verplichte aanvaarding van het aanbod valt te lezen, doch een bijzondere regeling waarbij onder bijzondere omstandigheden de inkoop van een certificaat – waaronder aldaar kennelijk te verstaan: de levering van het aangeboden certificaat – kan worden uitgesteld en/of aan een andere afnemer plaatsvindt. De Ondernemingskamer laat nog daar dat uit niets blijkt dat [E] en/of [D] zich jegens [A] op enige van de genoemde bepalingen hebben beroepen en veeleer uit de in 2.12 en 2.13 vermelde besluiten blijkt dat dit niet het geval is geweest. Feiten waaruit volgt dat reeds ten tijde van de aanbieding door [A] van haar aandelen niet werd voldaan aan de in art. 5, lid 25, genoemde wettelijke vereisten voor inkoop, zijn overigens niet althans onvoldoende gesteld of gebleken. Voor zover [D] zich op het standpunt heeft gesteld dat ex nunc dient te worden beoordeeld of aan de wettelijke vereisten voor inkoop wordt voldaan – de Ondernemingskamer begrijpt dat met dit ex nunc wordt gedoeld op een toetsing ultimo 2017 – brengt dit standpunt geen wijziging in het oordeel van de Ondernemingskamer dat uit de werking van de Participatieovereenkomst een verplichting tot aanvaarding van de aangeboden aandelen voortvloeit. Uit de onder 2.8 en 2.9 vermelde correspondentie over de bespreking van 3 april 2013, de onder 2.12 en 2.13 vermelde besluiten en de onder 2.21 tot en met 2.23 vermelde jaarrekeningen volgt dat aan de verplichting tot aanvaarding van de aangeboden aandelen respectievelijk het aangeboden certificaat ook is voldaan, zodat tussen [A] en [E] een koopovereenkomst met betrekking tot deze aandelen tot stand is gekomen en evenzo tussen [E] en [G] een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het door [E] gehouden certificaat B1 in [D] . De daaruit voortvloeiende obligatoire verplichtingen tot afname van de aandelen (“ inkoop ”) respectievelijk het certificaat en betaling van de koopsommen, kunnen niet eenzijdig door [E] en/of [D] ongedaan worden gemaakt, hoezeer ook voor hen nadelige gevolgen aan het bestaan van deze verplichting verbonden mogen zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e003ea15c3795b3ed0e1ee02a9b8426a87c31ff0756cd85e16b2d67e32ff121c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e003ea15c3795b3ed0e1ee02a9b8426a87c31ff0756cd85e16b2d67e32ff121c, en de alinea staat in dat document op bytes 80146 tot 83267.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e003ea15c3795b3ed0e1ee02a9b8426a87c31ff0756cd85e16b2d67e32ff121c | shasum -a 256