Citaat | Gerechtshof Amsterdam 21 april 2020

Onder 2.9. Gerechtshof Amsterdam 21 april 2020

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 21 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1282.

Voor zover de vader heeft bedoeld te betogen dat derdenverzet ook mogelijk is indien sprake is van benadeling van rechten van derden door (mogelijke) bijkomstige of indirecte gevolgen van het arrest, volgt het hof hem daarin niet. Deze door K. Wiersma in zijn dissertatie uit 1952 (naast de drie hiervoor genoemde, in de rechtspraak aanvaarde gevallen waarin van benadeling in de zin van artikel 376 Rv sprake kan zijn) gesuggereerde vierde categorie, valt niet te verenigen met het door de wetgever beoogde restrictieve karakter van het rechtsmiddel. Om dezelfde reden faalt het betoog van de vader dat eenzelfde soort (ruime) belangenafweging zou moeten plaatsvinden als bij een vordering tot voeging of tussenkomst als bedoeld in artikel 217 Rv.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/40c4e7c22e5bf4fe2a755905fb772e0621a0420f25728e143972c05b05e9f1ac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 40c4e7c22e5bf4fe2a755905fb772e0621a0420f25728e143972c05b05e9f1ac, en de alinea staat in dat document op bytes 25976 tot 26737.