Citaat | Gerechtshof Amsterdam 14 januari 2020
Onder 3.2 Gerechtshof Amsterdam 14 januari 2020
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 14 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:300.
In artikel 143 Rv is geregeld wanneer de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan aanvangt en hoe lang die termijn is. Volgens [A] heeft zich niet één van de twee in lid 2 van dit artikel genoemde aanvangsmomenten voorgedaan (betekening in persoon en het plegen van een daad van bekendheid), terwijl Fortbet zich niet op het bestaan daarvan heeft beroepen en ook overigens niet daarvan is gebleken. Wel heeft Fortbet zich op het standpunt gesteld dat de verzettermijn op de voet van artikel 143 lid 3 Rv is aangevangen vanaf de consignatie die op 19 november 2018 heeft plaatsgevonden door middel van de in 2.13 genoemde storting in de consignatiekas, aangezien het verstekarrest op die datum ten uitvoer is gelegd. [A] hebben dit bestreden. De Ondernemingskamer overweegt hierover als volgt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bcbbbc40c3385d7b829248bc1cc48199b541dfb7d9d80b5e73bd15eafd391f4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bcbbbc40c3385d7b829248bc1cc48199b541dfb7d9d80b5e73bd15eafd391f4, en de alinea staat in dat document op bytes 17467 tot 18283.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8bcbbbc40c3385d7b829248bc1cc48199b541dfb7d9d80b5e73bd15eafd391f4 | shasum -a 256