Citaat | Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024
Onder 4.11 Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:451.
Dit hof heeft het HvJEU gevraagd of bij de vaststelling van de rechtsmacht ook acht dient te worden geslagen op de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde (zie ECLI:NL:GHAMS:2023:2570). Indien en voor zover zou moeten worden aangenomen dat artikel 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis niet kan worden toegepast bij een onvoldoende substantiëring van de vordering tegen de ankergedaagde, is daarin in het onderhavige geval geen beletsel gelegen voor het aannemen van rechtsmacht voor vordering D. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Stichting een strekkingsbeding in de zin van artikel 101 VWEU aan haar vorderingen ten grondslag legt, waarbij de concrete effecten op de mededinging niet behoeven te worden onderzocht, en zich beroept op de CFTC-Orders en andere bevindingen waarvan niet nu reeds duidelijk is dat die geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b01a4641200d5139144724947274f5ded559878dd4941035299383dc19ee2bcf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b01a4641200d5139144724947274f5ded559878dd4941035299383dc19ee2bcf, en de alinea staat in dat document op bytes 37256 tot 38156.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b01a4641200d5139144724947274f5ded559878dd4941035299383dc19ee2bcf | shasum -a 256