Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014

Onder 4.11 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2385.

Met de grieven 11 en 12 beroept [appellant] zich erop dat de verzwijging niets van doen heeft met de verzekerde arbeidsongeschiktheid. Het niet of onjuist meegedeelde feit heeft de kans op het intreden van het risico en/of het voortbestaan daarvan niet vergroot en de verzwegen feiten rechtvaardigen geen beroep op artikel 251 van het Wetboek van Koophandel (WvK), aldus [appellant]. Tussen partijen staat vast dat op de verhouding tussen partijen het (verzekerings)recht van toepassing is zoals dat gold tot 1 januari 2006. Naar vaste jurisprudentie staat onder het oude recht het ontbreken van causaal verband tussen de verzwegen feiten en de verwezenlijking van het verzekerde risico niet aan een beroep door de verzekeraar op artikel 251 WvK in de weg. Er bestaat geen grond om het causaliteitsbeginsel van het nieuwe recht toe te passen op situaties waarop nog het oude recht van toepassing is. Door de Hoge Raad is anticipatie van de hand gewezen. De omstandigheden dat onder het nieuwe verzekeringsrecht de verzekering ook bij schending van een mededelingsplicht zou voortduren, dat het causaal verband tussen de verzwijging en de arbeidsongeschiktheid ontbreekt, dat De Amersfoortse onder het nieuwe verzekeringsrecht wel zou hebben moeten uitkeren en dat de verzwijging het gevolg zou zijn van een beroepsfout van de tussenpersoon van [appellant], maken - wat overigens van die omstandigheden ook zij - een beroep op artikel 251 WvK door De Amersfoortse niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Andere (bijzondere) omstandigheden die deze conclusie zouden rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat het hof het aannemelijk acht dat, indien De Amersfoortse van de verzwegen feiten kennis had gedragen, de overeenkomst met [appellant] niet, althans niet onder gelijke voorwaarden, had gesloten. Dat het moreel risico (de eventuele onbetrouwbaarheid van de verzekerde, waarvoor het strafrechtelijk verleden een aanwijzing kan zijn), een belangrijke afwegingsfactor is bij de beslissing van een verzekeraar om een verzekeringsovereenkomst te sluiten ligt zozeer voor de hand en is door De Amersfoortse zodanig gemotiveerd, dat hetgeen [appellant] daar tegenover heeft gesteld onvoldoende is om tot een andere conclusie te kunnen komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae4cdecd87c2663d6a91f1c2cdeb458ade944f31a2f8cc3bc9cd29d1df53182a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae4cdecd87c2663d6a91f1c2cdeb458ade944f31a2f8cc3bc9cd29d1df53182a, en de alinea staat in dat document op bytes 23717 tot 26019.