Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014
Onder 4.15 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014
Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2385.
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 7 september 2011 onder 4.2 en 4.3 (waartegen ook geen grieven zijn gericht). Indien na de brief van 30 november 2005 de verjaring niet is gestuit, is de vordering van [appellant] op De Amersfoortse per 1 december 2008 verjaard. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld in de tussenliggende periode de verjaring door middel van diverse correspondentie (e-mail, fax en brief) te hebben gestuit. Hij heeft afschriften van deze correspondentie in het geding gebracht. De Amersfoortse heeft gemotiveerd betwist in de periode tussen 30 november 2005 en 30 november 2008 enige van deze door [appellant] bedoelde berichten te hebben ontvangen. De Amersfoortse heeft daarbij ook gemotiveerd betwist dat uit de door [appellant] overgelegde verzendberichten kan worden afgeleid dat De Amersfoortse deze berichten heeft ontvangen. Gelet op artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient niet alleen vast te staan dat [appellant] een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 7:942 lid 2 BW heeft verzonden maar ook dat deze mededeling, wil die werking hebben, De Amersfoortse heeft bereikt. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast daarvan op [appellant]. Dat is niet anders bij aangetekende verzending of bij verzending per fax of e-mail. Ook in die gevallen geldt als uitgangspunt dat [appellant], nu hij zich beroept op het rechtsgevolg van een door hem aan De Amersfoortse gerichte verklaring, dient te bewijzen dat deze verklaring De Amersfoortse heeft bereikt, of dat - zo dit niet zou komen vast te staan - het niet (tijdig) bereiken het gevolg was van een voor rekening van De Amersfoortse komende omstandigheid als in art. 3:37 lid 3 BW vermeld. Met betrekking tot aangetekende brieven geldt meer in het bijzonder dat de afzender daarvan, wanneer de geadresseerde stelt dat de brief hem niet (tijdig) heeft bereikt, dient te bewijzen dat hij de brief aangetekend en naar het juiste adres heeft verzonden, en bovendien aannemelijk dient te maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven. [appellant] heeft terzake evenwel geen, althans geen voldoende concreet en specifiek, bewijsaanbod gedaan. Hij heeft slechts aangeboden te bewijzen dat de faxberichten zijn verzonden, niet dat de mededelingen De Amersfoortse hebben bereikt. Het hof ziet geen aanleiding de bewijslast om te keren of om [appellant] ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Ook voor het aannemen van een vermoeden dat (een van) de stuitingsmededeling(en) De Amersfoortse heeft (hebben) bereikt, ziet het hof onvoldoende grond (vergelijk HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5122). Nu niet is komen vast te staan dat de verjaring tijdig is gestuit, zijn de vorderingen van [appellant] jegens De Amersfoortse tot het doen van een uitkering verjaard en dienen die vorderingen ook op die grond te worden afgewezen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae4cdecd87c2663d6a91f1c2cdeb458ade944f31a2f8cc3bc9cd29d1df53182a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae4cdecd87c2663d6a91f1c2cdeb458ade944f31a2f8cc3bc9cd29d1df53182a, en de alinea staat in dat document op bytes 28473 tot 31476.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ae4cdecd87c2663d6a91f1c2cdeb458ade944f31a2f8cc3bc9cd29d1df53182a | shasum -a 256