Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2014

Onder 3.6 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2014

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7781.

[geïntimeerde 1] is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 19 mei 2014 tot 18 augustus 2014 in dienst geweest van [appellante] Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] verklaard dat haar loonvordering betreffende die periode kort voor die behandeling door [appellante] is voldaan (op 24 september 2014). [geïntimeerde 1] heeft haar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep geponeerde stelling dat zij, na verrekening van hetgeen het UWV aan haar heeft uitgekeerd, nog vanwege de wettelijke verhoging, de eindafrekening vakantiedagen en griffierecht een (restant)vordering op [appellante] heeft, naar het oordeel van het hof niet inzichtelijk gemaakt. Van een (nog bestaand) vorderingsrecht van [geïntimeerde 1] is naar het oordeel van het hof aldus niet summierlijk gebleken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/161d64ca26d4cd5cc21e93ff0667033bbfe3199fdd8595a3e4b127655db6681f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 161d64ca26d4cd5cc21e93ff0667033bbfe3199fdd8595a3e4b127655db6681f, en de alinea staat in dat document op bytes 10954 tot 11842.