Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015
Onder 4.2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015
Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2587.
Artikel 8, lid 7, van de Wet OB is ingevoerd op 1 januari 2007 en gebaseerd op het destijds geldende artikel 11, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn. Daarin is bepaald dat de maatstaf van heffing voor de hier bedoelde fictieve dienst het bedrag is van de door de belastingplichtige voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven. In het voor het onderhavige tijdvak geldende artikel 75 van de Btw-richtlijn is de maatstaf van heffing voor deze fictieve dienst het bedrag van de door de belastingplichtige voor het verrichten van de dienst “gemaakte kosten”. Hoewel de betekenis van beide termen uiteen kan lopen, moet worden aangenomen dat met de gewijzigde terminologie geen inhoudelijke wijziging is beoogd (vgl. punt 3 van de Considerans van de Btw-richtlijn).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e4e084fb8397eb3dc2b361050db994fb7bdd64fba9c27065b84e862f629f0db1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e4e084fb8397eb3dc2b361050db994fb7bdd64fba9c27065b84e862f629f0db1, en de alinea staat in dat document op bytes 20273 tot 21066.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e4e084fb8397eb3dc2b361050db994fb7bdd64fba9c27065b84e862f629f0db1 | shasum -a 256