Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2015

Onder 4.2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2015

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5127.

[appellanten] beroepen zich erop dat aan de elementen van de definitie van artikel 7:311 Burgerlijk Wetboek is voldaan en verbinden daaraan de gevolgtrekking dat sprake is van pacht. Op zichzelf gaan zij daarbij terecht ervan uit dat de omstandigheid dat tussen [echtgenoot van appellante sub 2], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] en thans alleen [appellante sub 2] en [appellant sub 3] een vennootschap onder firma bestaat, niet uitsluit dat tevens sprake kan zijn van pacht en dat op grond daarvan de wettelijke regeling van de pacht toepassing dient te vinden. Dat aan alle elementen van de definitie van artikel 7:311 Burgerlijk Wetboek is voldaan, is echter niet steeds beslissend, omdat het uiteindelijk erop aankomt of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst van dien aard zijn dat deze in zijn geheel beschouwd als een pachtovereenkomst kan worden aangemerkt. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2011, LJN BO9673 met betrekking tot huur.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3928cd4e23db918065675e2caf7d7968d8cde1fbe017f9a87a26beab6f6df5ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3928cd4e23db918065675e2caf7d7968d8cde1fbe017f9a87a26beab6f6df5ff, en de alinea staat in dat document op bytes 15895 tot 17010.