Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2016

Alinea 39 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2016

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365.

12. Indien een beroepschrift - in strijd met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb - geen gronden bevat, dient de indiener daarvan de gelegenheid te worden geboden om deze op een later moment in te dienen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens daartoe. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. De voor het indienen van gronden geboden termijn dient een redelijke te zijn. Indien door de indiener van het beroepschrift is verzocht om toezending van op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb respectievelijk artikel 11, vierde lid, van de WAHV, zou die termijn in moeten gaan na toezending van die stukken. Een en ander dient in een eenduidig geformuleerde brief aan de indiener van het beroepschrift te worden meegedeeld. Dat de indiener van het beroepschrift feitelijk -door het tijdsverloop tussen de indiening van het beroepschrift en de beslissing op het beroep- de gelegenheid heeft gehad om de gronden in te dienen, volstaat niet (vergelijk het arrest van het hof van 18 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3032). Deze verplichting vloeit voort uit beginselen van een zorgvuldige procesvoering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9aef670afd6671fc593ffaf5cdf2caae43e0ffc77421c1865b3a044d12b616e7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9aef670afd6671fc593ffaf5cdf2caae43e0ffc77421c1865b3a044d12b616e7, en de alinea staat in dat document op bytes 14945 tot 16141.