Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2016

Onder 3.6 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2016

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:572.

Het hof merkt daarbij voorts op dat een faillissementsprocedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten en voor een uitgebreide bewijslevering, maar slechts een beperkte toetsing van de situatie ex nunc betreft. Daarbij is onder meer van belang de mate waarin de verzoeker van het faillissement zijn/haar vordering heeft onderbouwd door overlegging van stukken en de mate waarin de vordering van de faillissementsaanvrager wordt betwist door de schuldenaar. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. De rechtbank Rotterdam heeft haar vonnis van 26 augustus 2015 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De gemeente en Divosa zijn derhalve gerechtigd om tot inning van die vordering bij [verweerder] over gaan. Het feit dat [verweerder] van genoemde uitspraak in hoger beroep is gegaan doet daaraan niet af. Gesteld noch gebleken is dat die uitspraak berust op een feitelijke dan wel juridische misslag.Een en ander leidt tot de conclusie dat de gemeente en Divosa een opeisbare vordering op [verweerder] hebben, waarmee summierlijk van hun vorderingsrecht is gebleken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/91eecf52e645cf18c579a9f7324b624966f52da58c074ab7442ee30a575fe617. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 91eecf52e645cf18c579a9f7324b624966f52da58c074ab7442ee30a575fe617, en de alinea staat in dat document op bytes 12175 tot 13275.