Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016
Onder 4.14 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016
Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6255.
Anders dan ten aanzien van verjaringstermijn van art. 3:309 en 3:310 BW (vergelijk Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052) of ten aanzien van de verjaring van niet verifieerbare rentevorderingen tijdens faillissement (vergelijk Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1294) bestaat er geen grond om in het geval van de verjaring van de periodieke verplichting tot betaling van de pachtprijs aan te nemen dat deze termijn pas begint te lopen op de dag na die waarop de schuldeiser (na goedkeuring van de overeenkomst door de grondkamer) daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot betaling in te stellen of nadat de vorderingen daadwerkelijk verhaalbaar zijn. Dit volgt ook uit de strekking van de artikelen 3:308 en 7:322 BW. Artikel 3:308 BW brengt mee dat de schuldeiser slechts vijf jaren achterstallige termijnen kan incasseren. De strekking is de schuldenaar bescherming te bieden tegen een te sterk oplopen van het door hem verschuldigde bedrag, doordat de schuldeiser (een aantal) termijnen niet opvordert. Bij pachtovereenkomsten heeft (ook) de verpachter het in de hand om tijdig goedkeuring te verzoeken van de pachtovereenkomst waardoor hij in rechte (tot vijf jaar terug) achterstallige pacht kan vorderen en aldus kan voorkomen dat de vordering verjaart, dan wel om tijdig de verjaring ervan te stuiten. Ook daarin vindt het hof de rechtvaardiging om niet aan te sluiten bij het moment waarop de verpachter in rechte de achterstallige pacht kan vorderen: in dat geval zou de verpachter namelijk gerechtigd zijn om in een voorkomend geval achterstallige pacht tot in lengte van jaren terug te vorderen - namelijk alle jaren dat de niet-goedgekeurde pachtovereenkomst heeft gelopen tot vijf jaren na de goedkeuring ervan -, wat in strijd is met de ratio van verjaring van periodieke vorderingen ex artikel 3:308 BW. Bovendien zou het karakter van de sanctie, besloten in artikel 7:322 BW, in dat geval aanzienlijk worden ondergraven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abf2e83c7a1ef456e3a1e1a1e8311414003df75cb44117209b9ea9217273b4eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abf2e83c7a1ef456e3a1e1a1e8311414003df75cb44117209b9ea9217273b4eb, en de alinea staat in dat document op bytes 24743 tot 26711.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/abf2e83c7a1ef456e3a1e1a1e8311414003df75cb44117209b9ea9217273b4eb | shasum -a 256