Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 april 2018
Onder 4.12 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 april 2018
Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3113.
ASR heeft gesteld dat zij voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst op 24 november 2011 niet wist dan wel behoorde te weten dat [appellant] als natuurlijk persoon bij diverse faillissementen betrokken was. Terecht heeft ASR erop gewezen dat voor zover uit haar systeem zou kunnen blijken dat er bekendheid aanwezig was dat vennootschappen, waarvan [appellant] bestuurder was, failliet waren gegaan, dat niet zonder meer mee brengt dat wanneer [appellant] als natuurlijk persoon een verzekering aanvraagt, bekend moet worden verondersteld dat deze persoon als bestuurder betrokken is bij (failliete) vennootschappen die een verzekering bij ASR hadden lopen. De vennootschappen en de natuurlijke persoon opereren immers als zelfstandige entiteiten met elk eigen(soortige) verzekeringsproducten en een koppeling daartussen wordt niet automatisch gemaakt. ASR stelt voorts dat wanneer [appellant] bij de aanvraag van de verzekering zijn betrokkenheid bij (enig) faillissement(en) gemeld had, door haar een onderzoek zou zijn ingesteld bij de afdeling Speciale Zaken en de faillissementsverslagen zouden zijn opgevraagd en bekeken. Daaruit zou volgens ASR zijn gebleken dat [appellant] meermalen als bestuurder aansprakelijk was gesteld voor de faillissementstekorten vanwege het niet publiceren van jaarrekeningen en het ontbreken van administratie, waardoor het voor ASR duidelijk zou zijn geworden dat een groot moreel risico dreigde, zodat zij de voorlopige dekking niet zou hebben verstrekt. Nu uit de schriftelijke aanvraag van Den Hartog van 18 oktober 2011 of anderszins niet blijkt dat ASR voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst is geïnformeerd over de betrokkenheid van [appellant] bij diverse faillissementen en de stelling dat dit reeds bij ASR bekend was of had moeten zijn bij gebreke van een voldoende onderbouwing faalt, slaagt het betoog van ASR dat zij bij afgifte van de voorlopige dekking op 24 november 2011 niet op de hoogte was van dit voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst relevante feit. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat ook in het verzoek van Den Hartog aan ASR van 16 juli 2010 tot het aangaan van onder meer de inventaris/goederenverzekering voor [Bedrijf 11] niet wordt gemeld dat sprake was van een faillissement van de vorige verzekeringnemer (zie hiervoor onder 2.7). Aan (nadere) bewijslevering op dit punt aan de zijde van [appellant] wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen. Aan het vorenstaande doet overigens ook niet af de stelling van [appellant] dat mededeling van zijn betrokkenheid bij faillissementen zou zijn gedaan aan HDS toen deze haar inspectie verrichte in december 2011, omdat (a) deze mededeling na de totstandkoming van de overeenkomst is gedaan en (b) niet aan ASR is gericht. Daargelaten wordt dan nog dat dit een nieuwe stelling is die pas bij de comparitie in hoger beroep is aangevoerd, waarop ASR niet meer afdoende heeft kunnen reageren, die daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2a536d96074ad8562ad3d2a3e1790ea42d9c1edc8e021b877a990bce301354a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2a536d96074ad8562ad3d2a3e1790ea42d9c1edc8e021b877a990bce301354a1, en de alinea staat in dat document op bytes 30089 tot 33157.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2a536d96074ad8562ad3d2a3e1790ea42d9c1edc8e021b877a990bce301354a1 | shasum -a 256