Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018
Onder 5.17 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018
Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4120.
gemotiveerd aangegeven dat hij zijn echtgenote voor het eerst omstreeks juli 2002 op de hoogte heeft gesteld van de overeenkomst. Hij deed dit toen, omdat hij een brief had ontvangen omtrent de restschuld. [appellant] heeft gesteld dat zijn echtgenote niet eerder op de hoogte was van de overeenkomst en dat de betalingen daarvoor niet vanaf een gezamenlijke rekening geschiedden, maar vanaf een rekening waarover zijn echtgenote niet kon beschikken. Ook de andere aannames van Dexia omtrent de wetenschap van zijn echtgenote heeft [appellant] gemotiveerd weersproken. [appellant] heeft hiermee aan zijn motiveringsplicht voldaan. Vervolgens rust op Dexia weer de plicht om haar stellingen in het licht van de gemotiveerde betwisting nader te onderbouwen. Daarbij valt op dat de stellingen van Dexia zijn gebaseerd op aannames en niet op feitelijkheden. Dexia heeft ook geen stukken in het geding gebracht waaruit bijvoorbeeld kan blijken dat de betalingen ingevolge de overeenkomst zijn gedaan vanaf een bankrekening die op naam van [appellant] en zijn echtgenote gezamenlijk stond. Dexia heeft evenmin met stukken onderbouwd dat zij post aan [appellant] en zijn echtgenote heeft gestuurd, nog daargelaten dat uit het enkele verzenden van die post niet kan worden afgeleid dat de echtgenote van [appellant] die post heeft ontvangen. Dexia heeft echter wel verzocht om [appellant] en zijn echtgenote in dit verband als getuigen te horen. Uit het bovenstaande volgt dat op dit moment niet zonder meer kan worden geoordeeld dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst. Dat betekent dat op dit moment niet kan worden geoordeeld dat de rechtsvordering tot vernietiging ten tijde van het inroepen daarvan reeds was verjaard. Nu niet, althans niet zonder nadere bewijslevering, kan worden vastgesteld dat [appellant] geen vordering heeft op Dexia, kan de door Dexia gevorderde verklaring voor recht thans niet worden toegewezen. Vanwege de aard van de onderhavige procedure en om proceseconomische redenen volstaat het hof met deze vaststelling en zal het Dexia niet toelaten tot (nadere) bewijslevering. Naar het oordeel van het hof dient dit bewijs – voor zover nodig – te worden geleverd wanneer [appellant] zijn vordering daadwerkelijk in een door hem aanhangig te maken procedure instelt. Uit het voorgaande volgt dat grief III slaagt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4654dfd3cbfb5bba13d72f62507ce62fc3c39223ea6848aab7678e6071967211. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4654dfd3cbfb5bba13d72f62507ce62fc3c39223ea6848aab7678e6071967211, en de alinea staat in dat document op bytes 30018 tot 32415.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4654dfd3cbfb5bba13d72f62507ce62fc3c39223ea6848aab7678e6071967211 | shasum -a 256