Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019

Onder 5.16 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1060.

In beginsel draagt EWD ter zake van het condicio sine qua non-verband de stelplicht en de bewijslast. Dat bewijs zal evenwel problematisch (kunnen) zijn, omdat het voor EWD, in sterker mate nog dan voor de Commissie, onmogelijk zal zijn de vinger te leggen op de precieze effecten van het kartel (vgl. in die zin mede de pleitnota van EWD in eerste aanleg sub 7). Tegen de achtergrond van de hiervoor omschreven door de Commissie vastgestelde heimelijke (stilzwijgende) afspraken van de kartelleden en in het licht van de ernst en omvang daarvan, is het hof van oordeel dat bedoelde bewijsproblemen ertoe kunnen leiden dat de uitoefening van door de Europese Unie verleende rechten aan gelaedeerden van kartelinbreuken in de praktijk illusoir wordt, terwijl het Unierecht (zie hiervoor onder 5.9) meebrengt dat een effectieve rechtsbescherming geboden moet worden volgens de regels van het nationale recht. Met het oog op een effectieve rechtsbescherming zal daarom bij de beoordeling van de vraag of sprake is van condicio sine qua non-verband tot uitgangspunt mogen dienen dat overeenkomsten, met (één van) de liftfabrikanten gesloten tijdens de periode dat het kartel werkzaam was, door het kartel zijn beïnvloed, met andere woorden dat voor die overeenkomsten sprake is geweest van een prijsopdrijvend effect ten gevolge van het kartel. Dat laat echter onverlet dat naar aanleiding van de over en weer aangevoerde argumenten (waarbij zo nodig de juistheid van daarbij aangevoerde feiten door de meest gerede partij aannemelijk moet worden gemaakt) en mede in aanmerking genomen de verder beschikbare informatie alsnog tot de conclusie kan worden gekomen dat voormeld uitgangspunt in het concrete geval niet opgaat. Bovendien gaat het voorgaande, zoals daaruit ook blijkt, er wel vanuit dat EWD (voor ieder van de zorginstellingen) voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat zij tijdens de periode dat het kartel werkzaam was met (één van) de liftfabrikanten daadwerkelijk één of meer overeenkomsten heeft gesloten (zie verder hierna onder 5.17 e.v.). Dat het hier voor de toewijsbaarheid van vorderingen van EWD zonder meer zal moeten gaan om transacties met geïntimeerden, blijkt reeds uit hetgeen hierna (onder 5.21) in verband met de reikwijdte van de door EWD gestelde cessies wordt overwogen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fdd47c214efc70dec5e78dd3c13899c8eeebee04c2bca5bb858c5c5f6fa55194. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fdd47c214efc70dec5e78dd3c13899c8eeebee04c2bca5bb858c5c5f6fa55194, en de alinea staat in dat document op bytes 46219 tot 48594.