Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020

Onder 4.4. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10508.

In artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is het recht op inzage gekoppeld aan het horen. De op de zaak betrekking hebbende stukken dienen voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage te zijn gelegd. Deze terinzagelegging dient op geschikte wijze plaats te vinden. Naar het oordeel van het Hof kon de heffingsambtenaar menen dat een digitale terinzagelegging met een verwijzing naar een website, zoals vermeld op de achterkant van de WOZ-beschikking, een dergelijke geschikte wijze was, ook als belanghebbenden met gebruikmaking van hun ter beschikking staande inloggegevens zich toegang dienden te verschaffen tot een beveiligd gedeelte van deze website. Het Hof heeft verder in het dossier geen verzoek aangetroffen om tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken te verkrijgen (artikel 7:4, vierde lid, van de Awb). De laatste volzin van het bezwaarschrift (“Tot slot: Indien het bezwaar (geheel dan wel gedeeltelijk) afgewezen zal worden wenst belanghebbende te worden gehoord eventueel onderbouwd met een taxatierapport.”) kan naar het oordeel van het Hof niet als een zodanig verzoek worden opgevat. De conclusie is dat het hoorrecht (en het daaraan gekoppelde inzagerecht) niet zijn geschonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df657ebf12727fb6ce4de50b5f5ae47c7029c204714e9146b292072474835cf8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df657ebf12727fb6ce4de50b5f5ae47c7029c204714e9146b292072474835cf8, en de alinea staat in dat document op bytes 15854 tot 17195.