Citaat | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2020
Onder 4.4. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2020
Een alinea uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4417.
Bij de beoordeling van de grieven van [appellanten] c.s. neemt het hof het volgende tot uitgangspunt. Rechten op registergoederen, zoals de groenstrook, worden verkregen (verkrijgende verjaring) door een bezitter te goeder trouw door een kenbaar, ondubbelzinnig en onafgebroken bezit van 10 jaren (artikel 3:99 BW). Voor bevrijdende verjaring is nodig dat de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit is voltooid. De verjaringstermijn tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW). Die verjaringstermijn bedraagt 20 jaren (artikel 3:306 BW). Voor de beantwoording van de vraag of iemand een onroerende zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die onroerende zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvattingen en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Alle omstandigheden van het geval moeten daartoe tegen elkaar worden afgewogen, waarbij het primair aankomt op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. De machtsuitoefening van iemand die een onroerende zaak in bezit heeft genomen moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Nodig is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Een bezitter is te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich redelijkerwijze ook als zodanig mocht beschouwen (artikel 3:118 lid 1 BW). Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen (artikel 3:118 lid 3 BW).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe76f4e63f67a05a7948850e200c221524d112b549fe8380ac495408640dde83. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe76f4e63f67a05a7948850e200c221524d112b549fe8380ac495408640dde83, en de alinea staat in dat document op bytes 14101 tot 16349.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fe76f4e63f67a05a7948850e200c221524d112b549fe8380ac495408640dde83 | shasum -a 256