Citaat | Gerechtshof Arnhem 20 augustus 2002
Alinea 57 Gerechtshof Arnhem 20 augustus 2002
Een alinea uit Gerechtshof Arnhem 20 augustus 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AE7813.
4.7 Gesteld voor de vraag of het instellen van een vordering in kort geding is aan te merken als het instellen van een eis in de hoofdzaak heeft de Hoge Raad bij zijn arrest van 26 februari 1999, NJ 1999, 717, overwogen dat de wetsgeschiedenis van artikel 700 lid 3 Rv geen duidelijk antwoord op die vraag geeft. Zijn bevestigende beantwoording van deze vraag van uitleg heeft de Hoge Raad doen steunen op de strekking van het conservatoir beslag als onderdeel van het wettelijk beslag- en executiestelsel. Die strekking is te voorkomen dat in beslag genomen goederen worden vervreemd en aldus niet meer door executoriaal beslag zouden kunnen worden getroffen op het tijdstip waarop met betrekking tot die goederen een executoriale titel is verkregen. Bij die uitleg heeft de Hoge Raad rekening gehouden met de belangrijke rol die het kort geding bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling vervult in gevallen waarin een spoedeisend belang bestaat bij doeltreffende rechtsmaatregelen. De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat alleen een kort geding dat strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering ter verzekering waarvan het conservatoir beslag is gelegd, in dit verband als hoofdzaak kan worden aangemerkt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/752a997863f496edc2082a3690211fa2393d9b67037f006ef6be81779877dc4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 752a997863f496edc2082a3690211fa2393d9b67037f006ef6be81779877dc4a, en de alinea staat in dat document op bytes 15661 tot 16948.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/752a997863f496edc2082a3690211fa2393d9b67037f006ef6be81779877dc4a | shasum -a 256