Citaat | Gerechtshof Arnhem 12 mei 2003

Alinea 25 Gerechtshof Arnhem 12 mei 2003

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem 12 mei 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF8395.

Het hof is van oordeel, dat niet zonder meer ontoelaatbaar is het inzetten van een undercoveragent teneinde de mogelijkheid te scheppen om met een verdachte contact te leggen en mogelijk van die verdachte zaken te horen te krijgen die voor de bewijsvoering in de zaak van die verdachte van belang zouden kunnen zijn. Wel is het hof van oordeel, dat zorgvuldig behoort te worden afgewogen, of mededelingen, gedaan door de verdachte aan de undercoveragent, niet tot stand zijn gekomen in contacten die feitelijk zozeer het karakter van een (heimelijk) verhoor dragen, dat het gebruik van die mededelingen als bewijsmiddel in strijd zou zijn met het door artikel 6 van het EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces. Daarbij heeft het hof acht te slaan op de wijze waarop de contacten tussen de undercoveragent en de verdachte zijn verlopen, en wel in het bijzonder op de vraag, of de undercoveragent op ongepaste wijze heeft getracht de verdachte uit te horen, of op onbehoorlijke wijze misbruik heeft gemaakt van een tussen hem en de verdachte gegroeid vertrouwen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e4f3f300109e260d4a3163881aa3420f649aa45dd329ec7c5b1bf8c92d23fc07. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e4f3f300109e260d4a3163881aa3420f649aa45dd329ec7c5b1bf8c92d23fc07, en de alinea staat in dat document op bytes 10317 tot 11397.