Citaat | Gerechtshof Arnhem 25 maart 2003

Alinea 95 Gerechtshof Arnhem 25 maart 2003

Een alinea uit Gerechtshof Arnhem 25 maart 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF8402.

5.15 Nu de Bank niet heeft gesteld, en evenmin anderszins is gebleken, dat zij bij het geven van haar toestemming voor de vrijwillige verkoop door Ede een pandrecht op de vordering van Ede op [S.] (tot betaling van de koopprijs) heeft doen vestigen (vgl. HR 23 april 1999, NJ 2000, 158) valt, gelet op al het voorgaande, niet in te zien op welke andere grond de Bank met voorrang boven andere schuldeisers recht zou kunnen doen gelden op de door [S.] betaalde bedragen. Dat laat onverlet dat de Bank zich jegens de curator op verrekening zal mogen beroepen in het geval dat de curator niet slaagt in het door hem te leveren bewijs dat de Bank, toen zij zich door creditering van de rekening van Ede tot debiteur van Ede maakte, niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw omdat zij op dat moment wist dat Ede in een zodanige toestand verkeerde dat haar faillissement was te verwachten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efe606084a3de89cb4c6ad01d4d0689ff5a3536e5937106ee12eb1b6a2692e17. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efe606084a3de89cb4c6ad01d4d0689ff5a3536e5937106ee12eb1b6a2692e17, en de alinea staat in dat document op bytes 35339 tot 36246.