Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 september 2013
Onder 4.11 Gerechtshof Den Haag 17 september 2013
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3585.
De rechtbank stelt voorop dat het volgen van de door [X1] en [X2] voor het boekjaar 1999 ingediende aangiften vennootschapsbelasting (zie 2.3 en 2.5) bezwaarlijk kan worden gezien als een gedurende een aantal jaren bij de aanslagregeling op een bepaald punt gevolgde gedragslijn als bedoeld in het arrest BNB 1990/119. Voorts leidt de rechtbank uit de gedingstukken en uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen af dat belanghebbenden 1 en 2 de Inspecteur, voorafgaande aan diens beslissing de beide aangiften te volgen, slechts hebben medegedeeld dat hun feitelijke leiding in Malta werd uitgeoefend en dat in Malta van hen inkomstenbelastingheffing werd geheven naar tarief van 35%. Naar het oordeel van de rechtbank is deze informatie onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Inspecteur heeft kunnen kennisnemen van “alle daartoe vereiste bijzonderheden van belanghebbenden zelf betreffende het geval” in de zin van het onder 4.10. genoemde vereiste van de juiste voorinformatie. Niet gesteld of gebleken is dat de Inspecteur door belanghebbenden tijdig is voorzien van andere relevante informatie, in het bijzonder over de toepassing van de FTC en de teruggaafregeling. Onder die omstandigheden kunnen het volgen van de aangiften en de onder 2.15 en 2.17 vermelde brieven, bij belanghebbenden redelijkerwijs niet de indruk hebben gewekt dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur inhoudende dat hij voortaan voor de heffing van vennootschapsbelasting een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zou verlenen en zou afzien van heffing van Nederlandse dividendbelasting over door belanghebbenden uitgekeerde dividenden. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de onder 2.15 en 2.17 vermelde brieven geen als een concrete toezegging op te vatten toezegging. Voorts blijkt uit de brieven en hetgeen partijen daarover hebben opgemerkt niet dat de Inspecteur de brieven heeft geschreven na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van de belastingplichtige zelf betreffende het geval. Hierbij is, naast hetgeen hiervoor is overwogen over het niet tijdig informeren van de Inspecteur door belanghebbenden over de toepassing van de FTC en de teruggaafregeling, van belang dat uit de brieven valt op te maken dat de Inspecteur ten onrechte veronderstelde dat het verzoek van belanghebbenden betrekking had op deelnemingsdividenden en dat belanghebbenden de Inspecteur er niet op hebben gewezen dat deze veronderstelling onjuist was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a210c1cb33a9b885fbb4f4721fd6f20cb0dd77e91b3f574b009459ad21a74d9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a210c1cb33a9b885fbb4f4721fd6f20cb0dd77e91b3f574b009459ad21a74d9, en de alinea staat in dat document op bytes 78967 tot 81462.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8a210c1cb33a9b885fbb4f4721fd6f20cb0dd77e91b3f574b009459ad21a74d9 | shasum -a 256