Citaat | Gerechtshof Den Haag 8 januari 2014

Alinea 302 Gerechtshof Den Haag 8 januari 2014

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 8 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:13.

7.29. Op grond van artikel 21, lid 3, van de Zesde Richtlijn (thans: artikel 205 van de BTW-richtlijn), kunnen lidstaten bepalen dat een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen. Het HvJ EU heeft in voormeld arrest alsmede in het arrest HvJ EU 21 december 2012, C-499/10 (Vlaamse Oliemaatschappij NV), V-N 2012/8.24, evenwel beslist dat de lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, met name het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel, dienen na te leven. Het Hof is van oordeel dat de wettelijke regeling van de inlenersaansprakelijkheid geen zuivere risicoaansprakelijkheid is. Er is immers een disculpatiemogelijkheid opgenomen in artikel 34, vijfde lid, van de IW 1990 en voorts is voorzien in een matigingsmogelijkheid in de Leidraad. Dat belanghebbende van die laatste mogelijkheid geen gebruik kan maken, vindt zijn oorzaak slechts in het feit dat belanghebbende wist of behoorde te weten dat [uitzendbureau B] gebruik maakte van anonieme werknemers.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f36f392821cf156a1a15f771c01b9274c9551d90b1b82fcb79a1ab95ab62e104. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f36f392821cf156a1a15f771c01b9274c9551d90b1b82fcb79a1ab95ab62e104, en de alinea staat in dat document op bytes 89139 tot 90285.