Citaat | Gerechtshof Den Haag 15 april 2014
Onder 2 Gerechtshof Den Haag 15 april 2014
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 15 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1339.
22. Het hof overweegt als volgt. De grief van de man valt vooreerst moeilijk te begrijpen in het licht van de door hem overgelegde stukken. Er is namelijk helemaal geen sprake (geweest) van het aflossen van deze leningen in 2003. Het hof begrijpt uit de producties van de man, met name het overzicht van de gemeente (overgelegd als ongenummerde althans onduidelijk genummerde productie bij antwoord) dat eerst in 2005 is aangevangen met regelmatige betaling van rente en (uit de stellingen van de man dat) tot 1 november 2009 geen aflossingen zijn gedaan. De rente voor zover betaald is begrepen in eerdergenoemde verrekeningsvordering. De man ziet eraan voorbij dat onderscheid gemaakt moet worden tussen hetgeen ingevolge de wet geldt en de samenlevingsovereenkomst. Nu partijen enkel samenwoonden, geldt ingevolge de wet dat zij - los van de vraag of zij hoofdelijk zijn verbonden, maar ervan uit gaande dat de schuld partijen gelijkelijk aangaat in hun interne verhouding - ieder voor een gelijk deel de schuld moeten dragen ofwel ieder voor de helft. Partijen hebben in artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst weliswaar een van deze wettelijke regeling afwijkende regeling getroffen, maar die regeling geldt in hun interne verhouding alleen indien daadwerkelijk sprake is (geweest) van vaststelling en verrekening als daar aan de orde. Daarvan is vóór het jaar 2005 echter in het geheel geen sprake geweest. Sterker nog, er zijn in die periode in het geheel geen betalingen van rente of aflossing op deze schulden gedaan, dus is ten deze van kosten van de huishouding over de periode tot 1 januari 2005 geen sprake geweest. Derhalve geldt dat de interne verhouding tussen de man en de vrouw wordt bepaald door artikel 6:6 BW: ieder dient de helft van de schuld te dragen. Toepassing van artikel 3 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst op de wijze zoals de rechtbank heeft gedaan, tegen welke benadering niet is gegriefd, voert in onderhavig geval tot hetzelfde resultaat. Voor zover ook (nog) geen betaling van rente en/of aflossing plaatsvond in de periode 1 januari 2005 tot 1 november 2009 geldt dat de rechtbank zeer wel kon overwegen dat deze posten klaarblijkelijk niet konden worden betaald uit inkomen en (naar het hof begrijpt: voor wat betreft het op 1 november 2009 resterende saldo van deze schuld(en)) heeft beslist als gedaan. Mitsdien faalt ook deze grief van de man.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c195ec7d624296c63b31dbeb5173b7e36cf070fa2dce9480091ed0e3215ff830. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c195ec7d624296c63b31dbeb5173b7e36cf070fa2dce9480091ed0e3215ff830, en de alinea staat in dat document op bytes 40795 tot 43205.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c195ec7d624296c63b31dbeb5173b7e36cf070fa2dce9480091ed0e3215ff830 | shasum -a 256