Citaat | Gerechtshof Den Haag 15 april 2014

Onder 2 Gerechtshof Den Haag 15 april 2014

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 15 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1339.

49. De man vordert nog dat hetgeen door de een aan de ander als resultante van de verdeling moet worden overgemaakt op een rekening van de gezamenlijke kinderen moet worden gezet. Nog afgezien ervan dat deze vordering niet in het dictum voorkomt, is het hof van oordeel, dat voor een dergelijke vordering geen plaats is. In een procedure waarin het gaat om (de vaststelling van) vorderingen over en weer bestaat geen aanleiding om in het dictum te betalen dat de betalingen aan een derde dienen te geschieden. Of dit anders is indien partijen het daarover eens zijn kan in het midden blijven, nu niet blijkt dat de vrouw met dit voorstel instemt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c195ec7d624296c63b31dbeb5173b7e36cf070fa2dce9480091ed0e3215ff830. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c195ec7d624296c63b31dbeb5173b7e36cf070fa2dce9480091ed0e3215ff830, en de alinea staat in dat document op bytes 76234 tot 76893.