Citaat | Gerechtshof Den Haag 4 juni 2014

Onder 23. Gerechtshof Den Haag 4 juni 2014

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 4 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1902.

Naar het oordeel van de rechtbank dient voor het moment waarop verweerder voor het eerst aanwijzingen heeft gekregen van het bestaan van de VLB-rekening van eiser te worden uitgegaan van het moment waarop de FIOD-ECD Team Internationaal de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens heeft ontvangen, te weten 18 februari 2005 (vgl. Hoge Raad 20 april 2012, nr. 11103542, LJN: BW3349). Gelet op vorengenoemd arrest faalt het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat in het onderhavige geval voor het aanvangstijdstip moet worden uitgegaan van het moment waarop de regio-inspecteur op de hoogte is gesteld van de identificatie van eiser als rekeninghouder dan wel het moment waarop eiser is geïdentificeerd. De rechtbank kent aan het beroep van verweerder op een conclusie van Advocaat-Generaal Wattel, naar de rechtbank begrijpt de conclusie van 18 augustus 2009, behorende bij de hiervoor in 21. genoemde arresten, geen doorslaggevende betekenis toe, nu de Hoge Raad dit onderdeel van de conclusie niet in zijn arresten heeft overgenomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6e02f4eb6e92ef53653139637ef221f52a58def06c1b274c4c7868b13450f947. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6e02f4eb6e92ef53653139637ef221f52a58def06c1b274c4c7868b13450f947, en de alinea staat in dat document op bytes 39824 tot 40895.