Citaat | Gerechtshof Den Haag 4 juni 2014

Alinea 212 Gerechtshof Den Haag 4 juni 2014

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 4 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1902.

7.2.1. Naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van der Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43.050bis en 43.670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd, die in verband met de eerbiediging van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde evenredigheidsbeginsel ter rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal die artikel 16, vierde lid, van de Awr inhoudt, in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6e02f4eb6e92ef53653139637ef221f52a58def06c1b274c4c7868b13450f947. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6e02f4eb6e92ef53653139637ef221f52a58def06c1b274c4c7868b13450f947, en de alinea staat in dat document op bytes 86199 tot 87204.