Citaat | Gerechtshof Den Haag 1 juli 2014
Onder 9. Gerechtshof Den Haag 1 juli 2014
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2305.
4.6.4. Naar 's-Hofs oordeel brengt het bepaalde in artikel 6:106, lid 2, BW mee dat de belastingplichtige op enig moment gedurende de belastingprocedure, voorafgaand aan zijn overlijden, kenbaar moet hebben gemaakt dat hij vergoeding van immateriële schade wenst. De belastingplichtige die betrokken is in een belastinggeschil wordt weliswaar, gezien de arresten van 10 juni 2011, behoudens bijzondere omstandigheden, geacht spanning en frustratie te ondervinden bij overschrijding van de redelijke termijn, doch die veronderstelling laat onverlet dat schadevergoeding slechts op verzoek wordt toegekend. De omstandigheid dat de belastingplichtige mag worden verondersteld spanning en frustratie te ondervinden, betekent immers niet dat die belastingplichtige ook schadevergoeding mag worden geacht te vorderen, zodat een zodanige vordering, ook voor de wederpartij in de zin van artikel 6:101, lid 2, BW, bekend hoeft te worden verondersteld. Dit impliceert dat de eis van de mededeling geldt als constitutief vereiste voor de overgang onder algemene titel van het recht op schadevergoeding.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2a2d8b4e30f72ab19cff55c4a92db59af204a0ad131c2a80a96745aa2773f1da. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2a2d8b4e30f72ab19cff55c4a92db59af204a0ad131c2a80a96745aa2773f1da, en de alinea staat in dat document op bytes 19506 tot 20612.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2a2d8b4e30f72ab19cff55c4a92db59af204a0ad131c2a80a96745aa2773f1da | shasum -a 256