Citaat | Gerechtshof Den Haag 1 juli 2014

Alinea 80 Gerechtshof Den Haag 1 juli 2014

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2305.

4.8. In het arrest Scordino tegen Italië van 29 maart 2006, nr. 36813/97, AB 2006/294 (hierna: Scordino) (in gelijke zin Cocchiarella v. Italië, 29 maart 2006, nr. 64886/01, r.o. 113 e.v. en Namli e.a. v. Turkije, 5 december 2006, nr. 51963/99) heeft het EHRM het volgende overwogen over de periode die in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn, indien tijdens de procedure de insteller daarvan is overleden en de procedure wordt voortgezet door de erfgenamen:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2a2d8b4e30f72ab19cff55c4a92db59af204a0ad131c2a80a96745aa2773f1da. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2a2d8b4e30f72ab19cff55c4a92db59af204a0ad131c2a80a96745aa2773f1da, en de alinea staat in dat document op bytes 27857 tot 28387.