Citaat | Gerechtshof Den Haag 27 juni 2014
Alinea 40 Gerechtshof Den Haag 27 juni 2014
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 27 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2325.
6.1. In een situatie als de onderhavige waaruit genoegzaam blijkt dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige omzetbelastingfraude, is geen plaats voor een beroep op het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel zoals belanghebbende dat voorstaat. De door de Inspecteur in het geding gebrachte gegevens, gevoegd bij al wat hij aan stellingen heeft betrokken, door belanghebbende onvoldoende weersproken en op zich aannemelijk te achten, laten naar ’s Hofs oordeel geen ruimte voor twijfel, ook in de onverbrekelijke samenhang beschouwd, dat belanghebbende niet alleen van aanvang af heeft geweten dat zij met de in geding zijnde transacties is betrokken bij een carrouselfraude, maar ook een actieve rol heeft vervuld, zodat de conclusie is gerechtvaardigd dat belanghebbende, met name op de cruciale momenten, volledig inzicht en een totaal overzicht heeft gehad, ook waar het gaat om de naheffingen, en dientengevolge haar ook op die gronden geen beroep op dat Unierechtelijk beginsel toekomt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cc87d7b5a2df7ebea3181a28268a45c5ce90979c08340f3fb64add4afd39036. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cc87d7b5a2df7ebea3181a28268a45c5ce90979c08340f3fb64add4afd39036, en de alinea staat in dat document op bytes 14438 tot 15458.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2cc87d7b5a2df7ebea3181a28268a45c5ce90979c08340f3fb64add4afd39036 | shasum -a 256