Citaat | Gerechtshof Den Haag 12 november 2014
Alinea 109 Gerechtshof Den Haag 12 november 2014
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 12 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3736.
23. Geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien laten naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat de man opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW. De door hem gestelde gemoedstoestand na het overlijden van zijn vader acht het hof onvoldoende rechtvaardiging voor dit verzwijgen. De man wist immers dat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde en heeft getracht dit door opzettelijke verzwijging buiten de verdeling te houden. Dit heeft tot gevolg dat het onroerend goed te [land], voor zover dit aan de zijde van de man in de huwelijksgoederengemeenschap is gevallen, toevalt aan de vrouw conform artikel 3:194 lid 2 BW. Om het goederenrechtelijke effect te effectueren, zal het onroerend goed op naam van de vrouw gesteld dienen te worden, waartoe de man is gehouden en waartoe het hof de man zal veroordelen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7e45fa0dd64285bc0a93de078270024b0c7be83403d37c9a9916d569459377a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7e45fa0dd64285bc0a93de078270024b0c7be83403d37c9a9916d569459377a, en de alinea staat in dat document op bytes 35300 tot 36276.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d7e45fa0dd64285bc0a93de078270024b0c7be83403d37c9a9916d569459377a | shasum -a 256