Citaat | Gerechtshof Den Haag 9 december 2014

Onder 1.10 Gerechtshof Den Haag 9 december 2014

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 9 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4216.

De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Hij overwoog daartoe, samengevat, het volgende. Van strijd met het Convenant of de Bilaterale Overeenkomsten is geen sprake. De door VPR c.s. aan die overeenkomsten gegeven uitleg, die er op neer komt dat de Staat niet alleen geen benzinestations maar ook geen nieuwe laadstations langs de rijkswegen zal toelaten, is niet aannemelijk geworden. De achtergrond van het Convenant was het reguleren van de benzinemarkt en noch uit het Convenant, noch uit de Bilaterale Overeenkomsten noch uit de Benzinewet valt af te leiden dat partijen ook beoogd hebben een regeling te treffen voor toekomstige energievormen. Nu de Benzinewet tot stand is gekomen als gevolg van de in het Convenant en de Bilaterale Overeenkomsten gemaakte afspraken, is van een schending van de Benzinewet geen sprake. Schending van gewekt vertrouwen doet zich evenmin voor. VPR c.s. kunnen geen rechten ontlenen aan de aan hen door de Staat toegezonden interne richtlijn. [appellanten 1 t/m 26] hebben, met uitzondering van appellant 17, geen actie ondernomen door een aanvraag voor een laadstation in te dienen. Dat zij van de mogelijkheid daartoe niet op de hoogte waren is niet aannemelijk geworden, gezien een emailbericht van VPR van 25 oktober 2011 en een brief van Rijkswaterstaat van 14 maart 2012. Dit betekent dat evenmin sprake is van een schending van het huurgenot. Het beroep van VPR c.s. op de geschillenregeling gaat niet op, aangezien die regeling niet voorziet in schorsende werking en de Staat heeft verklaard dat wat hem betreft de weg naar de burgerlijke rechter in een later stadium niet is afgesloten. Wat de staatssteun betreft is uit de berekeningen van de Staat genoegzaam gebleken dat de vrijstelling van het betalen van een gebruiksvergoeding slechts een beperkt voordeel oplevert, dat de drempel van de de minimis -steun niet overschrijdt. Op de Staat rustte derhalve geen verplichting de steunmaatregel aan te melden bij de Europese Commissie. VPR c.s. hebben bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden of zullen lijden vanwege concurrerende activiteiten op de verzorgingsplaatsen. Het potentiële marktaandeel van de laadstations bestaat immers slechts uit hybride of volledig elektrische auto’s, een (vooralsnog) beperkt deel van de markt en dan bovendien uit dat deel van de markt dat in overwegende mate geen gebruik maakt van fossiele brandstoffen. Dit betekent dat de oplaadstations naar verwachting slechts een geringe invloed zullen hebben op het gebruik dat wordt gemaakt van de door [appellanten 1 t/m 26] geëxploiteerde tankstations, mede nu het de nieuwe concessiehouders niet zal zijn toegestaan een horecagelegenheid of een winkeltje te exploiteren. Aan de omstandigheid dat [appellanten 1 t/m 26] door de nieuwe laadstations belemmerd worden in de mogelijkheid in de toekomst zelf elektrische auto’s te bedienen wordt voorbijgegaan, nu [appellanten 1 t/m 26] zelf geen aanvragen hebben gedaan voor het exploiteren van een laadstation. Dat de aan [appellanten 1 t/m 26] verleende concessies minder waard worden door het toelaten van laadstations is gezien het voorgaande niet aannemelijk geworden. Tot zover het oordeel van de voorzieningenrechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d96d7810fe9cc2c851de9dc187b2affc6dbaffc58fbe1a5cf8d8669a11b3678. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d96d7810fe9cc2c851de9dc187b2affc6dbaffc58fbe1a5cf8d8669a11b3678, en de alinea staat in dat document op bytes 19949 tot 23248.