Citaat | Gerechtshof Den Haag 11 november 2014

Alinea 32 Gerechtshof Den Haag 11 november 2014

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 11 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4672.

4. Aldus heeft het beroep van Benu op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een dubbele grondslag. Voor zover Benu stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [naam 1] Holding c.s. als gevolg van een omissie een voordeel genieten van € 1.261.225, berust deze stelling op een onjuiste grondslag. De betaling van dit bedrag berust immers, naar moet worden aangenomen, op de gemeenschappelijke bedoeling van partijen en niet op een omissie. Dit impliceert dat evenmin sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking van of onverschuldigde betaling aan [naam 1] Holding c.s. De stelling van Benu dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om in dezen uit te gaan van de bewijslastverdeling die op grond van art. 157 lid 2 Rv voortvloeit uit de notariële akte, houdt kennelijk verband met het feit dat zij buiten staat is om tegenbewijs te leveren. In verband met deze stelling moet echter voorop worden gesteld dat bewijsnood geen grond vormt om af te wijken van de uit de wet voortvloeiende bewijslastverdeling (HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 85) en voorts dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudend moet worden toegepast. Tegen een succesvol beroep op die beperkende werking pleiten de volgende omstandigheden. De kredietovereenkomst waarop Benu haar vordering tot schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking baseert (dagvaarding sub 4 en 29) dateert van 6 mei 2003, derhalve van vóór de notariële akte. Door de rechtbank is in rov. 4.1 overwogen – tegen welke overweging Benu niet door middel van een grief is opgekomen – dat de notariële akte en de kredietovereenkomst met elkaar conflicteren. In beginsel moet de kredietovereenkomst dan ook door de latere notariële akte geacht worden te zijn achterhaald. Hiervoor spreekt voorts dat aan de kredietovereenkomst geen, althans nauwelijks, uitvoering is gegeven. Zo houdt de considerans van de kredietovereenkomst in dat Benu een bedrag van € 1.261.225,- overmaakt op een rekeningnummer van de Holding, hetgeen niet is gebeurd. De nota’s van notariskantoor Hermans & Schuttevaer aan respectievelijk [naam 2] Holding B.V. en [naam 1] Holding B.V., beide van 7 mei 2003 (bijlage 1 bij de brief van de raadsman van de Holding aan Escura Nederland B.V. van 10 april 2008) (prod 7 dagvaarding) vermelden als te ontvangen bedrag voor de verkoop van de aandelen in de Holding € 630.612,50 en als te voldoen bedrag wegens geldlening aan de Holding € 630.612,50.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db26c7c3acd6ad1aa3c474b5554328e75dfaee41fd2a639b9619b6baf44ae10e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db26c7c3acd6ad1aa3c474b5554328e75dfaee41fd2a639b9619b6baf44ae10e, en de alinea staat in dat document op bytes 13329 tot 15902.