Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 februari 2015

Onder 4.10 Gerechtshof Den Haag 17 februari 2015

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:280.

Grief 6 van [appellant] houdt in dat de 2010-Opzegging misbruik van bevoegdheid oplevert. Voor zover deze grief berust op de stelling dat opzegging van de privaatrechtelijke gebruiksregeling slechts gelijktijdig kan geschieden met intrekking van de publiekrechtelijke vergunning (punten 64 en 65 van de memorie van grieven, hierna kortweg: MvG) faalt zij gezien het in rov. 1.f in fine vermelde andersluidende oordeel van de HR. Hetzelfde lot treft de in de punten 4.4-4.6 AE door [appellant] in het verlengde hiervan ontwikkelde argumentatie, dat van de ‘algemene voorwaarden’ die bij de publiekrechtelijke ontheffing van 1999 van toepassing zijn verklaard, bepalingen deel uitmaken die geen grondslag vinden in het publiekrecht, maar uitsluitend privaatrechtelijk van aard zijn, en dat bij de 2010-Opzegging specifiek had moeten zijn aangegeven welke privaatrechtelijke verplichtingen waren beëindigd. Naar Rijnland heeft uiteengezet onder 3.18 MvAnV konden op basis van artikel 22 van de Keur aan de aan [appellant] verleende ontheffing beperkingen worden opgelegd of voorschriften worden verbonden ter bescherming van de waterstaatkundige verzorging van het (beheers)gebied. In de bij de ontheffing behorende algemene en bijzondere voorschriften kan het hof geen bepalingen ontwaren die deze doelomschrijving te buiten gaan, ook al zouden enkele daarvan tevens een duidelijk privaatrechtelijk karakter (kunnen) hebben zoals het Amsterdamse hof in punt 3.8.2 van zijn arrest heeft overwogen. Dit betekent dat alle bepalingen van de door [appellant] bedoelde ‘algemene voorwaarden’ bij de publiekrechtelijke ontheffing behoren (zie ook rov. 2.2 in fine ) waarmee de grond is ontvallen aan zijn zojuist genoemde argumentatie en de daaraan verwante betogen die in de punten 17 en 34 van [appellant]’s PAnV zijn neergelegd. Voor zover grief 6 berust op de stelling dat de redengeving van de opzegging, namelijk dat betaling wordt verlangd, deze niet kan dragen (punt 65 MvG), kan zij evenmin slagen. De eigenaar heeft, anders dan [appellant] stelt in punt 4.8 AE, een voldoende zwaarwegend belang bij verkrijging van enigerlei vergoeding voor het gebruik van zijn grond of water. De in dit verband door [appellant] nog betrokken stelling, dat Rijnland wanneer hij nu zijn opzeggingsbevoegdheid kan inzetten om een vergoeding te krijgen, hij dat over een paar jaar weer kan doen ter verkrijging van een hogere vergoeding, is te speculatief om steekhoudend te kunnen zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1aa838df4facb5af85a52364b492841047a94218315261027dbd116b1836d610. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1aa838df4facb5af85a52364b492841047a94218315261027dbd116b1836d610, en de alinea staat in dat document op bytes 34818 tot 37429.