Citaat | Gerechtshof Den Haag 14 oktober 2015

Onder 3.4 Gerechtshof Den Haag 14 oktober 2015

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 14 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2860.

Op 7 september 1994 heeft [betrokkene A], thans de echtgenote van [verdachte 1], als getuige in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van [verdachte 1], een verklaring afgelegd bij de politie, ertoe strekkend dat zij, toen zij in de krant las over een verdachte in de onderhavige zaak met de initialen A.T., haar dagboek erop na had geslagen en erachter was gekomen dat zij in de avond van 3 op 4 juli 1993 verkering had gekregen met [verdachte 1]. Omstreeks 22.00 of 23.00 uur was zij bij de “Graanbeurs” aangekomen en is vervolgens doorgelopen naar de “Spock”, alwaar zij even later [verdachte 1] had getroffen. [verdachte 1] was van 23.00 uur tot 03.00 uur in haar gezelschap geweest en zij hebben in die periode verkering gekregen. Rond 03.00 uur heeft [verdachte 1] haar vergezeld naar een taxistandplaats en om 03.10 uur kwam zij met de taxi thuis. Op 3 oktober 1994 heeft zij als getuige tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling in strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Breda in vergelijkbare zin verklaard over de ontmoeting met [verdachte 1] die bewuste avond. Bij die gelegenheid en als getuige ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Breda op 19 oktober 1994 is [betrokkene A] geconfronteerd met het gegeven dat in haar dagboek de datum 3 juli is doorgehaald en in 4 juli is gewijzigd, en heeft zij verklaard dat haar handschrift regelmatig qua vorm verschilt en dat zij zich wel vaker in data vergist. Tegen [betrokkene A] is vervolgens een meineedprocedure gestart waarin zij heeft volhard in haar verklaring omtrent haar dagboek. Zij heeft daarbij tevens aangegeven dat zij niet weet wat [verdachte 1] na 03.05 uur op 4 juli 1993 heeft gedaan en dat zij nooit heeft gezegd dat hij niets met de dood van Mok te maken heeft gehad. Als getuige ter terechtzitting in hoger beroep bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 25 april 1995 heeft [betrokkene A] wederom verklaard dat zij er haar dagboek voor het eerst op heeft nageslagen toen zij in de krant de initialen “A.T.” las en dit met [verdachte 1] in verband bracht. Als getuige voor de raadsheer-commissaris in de herzieningsprocedure d.d. 8 januari 2014 heeft zij volhard in haar verklaring omtrent de vermelding in haar dagboek dat zij en [verdachte 1] die nacht verkering kregen. [betrokkene F], destijds in 1994 de vriendin van [verdachte 1], heeft daarentegen in haar CEAS-interview aangegeven dat [verdachte 1] haar weliswaar had verteld dat hij onschuldig was, maar dat hij niet had verteld waar hij in die bewuste nacht was geweest en ook overigens tegenover haar nooit had verteld dat hij een alibi had. [betrokkene C], een vriendin van [betrokkene A], heeft verklaard dat zij voor wat betreft haar datering van de verkering tussen [verdachte 1] en [betrokkene A] steeds het dagboek van [betrokkene A] tot uitgangspunt heeft genomen en dat zij [betrokkene A] pas later in juli 1993 leerde kennen. Ook [betrokkene A] heeft verklaard dat zij [betrokkene C] op 3-4 juli 1993 nog niet kende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/307ea99316cb0f11d5ffc84e28c238593114816c7c5dadff1beea797d0637ff5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 307ea99316cb0f11d5ffc84e28c238593114816c7c5dadff1beea797d0637ff5, en de alinea staat in dat document op bytes 139061 tot 142735.