Citaat | Gerechtshof Den Haag 15 december 2015

Onder 1 Gerechtshof Den Haag 15 december 2015

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 15 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3401.

27. Grief 5 heeft betrekking op het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade. De Alternatieve c.s. stellen in dit verband in de eerste plaats dat [geïntimeerde] c.s. reeds voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op de hoogte waren van de betrokkenheid van [appellant sub 2] bij de Alternatieve. Dit betoog is hierboven reeds verworpen. In het verlengde daarvan gaat het hof voorbij aan de stelling van de Alternatieve c.s. dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade wordt doorbroken door de beslissing van [geïntimeerde] c.s. in 2002 om een (nieuwe) overeenkomst met de Alternatieve aan te gaan. Het hof gaat ook voorbij aan de tijdens het pleidooi ingenomen stelling dat [geïntimeerde] c.s. “de overeenkomst hadden gesloten ongeacht het belang van [appellant sub 2] in de Alternatieve” (paragraaf 3.19 pleitnota hoger beroep). Die stelling is immers gebaseerd op de overeenkomst van 13 februari 2002 en het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Zoals hierboven reeds is overwogen, kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] c.s. eerder dan bij het indienen van voornoemd verzoekschrift op de hoogte waren van de betrokkenheid van [appellant sub 2] bij de Alternatieve. De stelling dat zonder het onrechtmatig handelen van de Alternatieve c.s. door [geïntimeerde] c.s. ook kosten gemaakt hadden moeten worden om de onteigening tegen te gaan is niet van een voldoende onderbouwing voorzien. [geïntimeerde] c.s. hebben immers weersproken dat de tot dat moment gemaakte kosten betrekking hadden op de onteigeningsprocedure, terwijl zij er verder op hebben gewezen dat niet kan worden aangenomen dat de onteigening zou zijn doorgezet als [geïntimeerde] c.s. hun percelen niet aan de Alternatieve hadden verkocht. Grief 5 faalt daarom. Het hof passeert het bewijsaanbod dat in paragraaf 4.3 van de pleitnota in hoger beroep is neergelegd omdat het kennelijk slechts betrekking heeft op het niet eerder ingenomen, maar ook in het pleidooi niet onderbouwde standpunt, dat er geen sprake is van redelijke toerekening. Onduidelijk is, wat er overigens van de toelaatbaarheid van dit betoog in dit stadium van het geding zij, welke feiten in dit verband te bewijzen worden aangeboden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b938ee946777715682f90168808367532c0673347f9b2805401e56d04c63f0c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b938ee946777715682f90168808367532c0673347f9b2805401e56d04c63f0c6, en de alinea staat in dat document op bytes 42019 tot 44355.