Citaat | Gerechtshof Den Haag 23 december 2015

Alinea 29 Gerechtshof Den Haag 23 december 2015

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 23 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3813.

13. De wrakingskamer is van oordeel dat het Hof in het kader van de beslechting van het geschil niet gehouden was de betreffende stukken te bestempelen als valselijk opgemaakt, maar had kunnen volstaan met de vaststelling dat de stukken, gelet op het een en ander, niet konden bijdragen aan het ontzenuwen van het vermoeden. In een zodanig geval, waarin in een eerdere procedure stukken van een partij zijn aangemerkt als valselijk opgemaakt, terwijl het stelsel van bewijswaardering niet tot een dergelijke terminologie noopte, is sprake van een objectieve rechtvaardiging voor de (subjectieve) vrees dat de betrokken raadsheren een vooringenomenheid zouden kunnen koesteren. De omstandigheid dat de aard van het belastingrecht met zich brengt dat dezelfde rechter zich soms nogmaals over de bewijskracht van eenzelfde gedingstuk moet uitlaten, maakt dit niet anders. Het gaat bij de beoordeling waarvoor de wrakingskamer zich thans gesteld ziet niet om de juist of onjuistheid van de beslissing van 27 november 2014, maar zuiver om wat deze beslissing naar objectieve maatstaven bezien, meebrengt voor de rechterlijke onpartijdigheid in de procedure van de zaak met kenmerk 14/00388 e.v.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/22c1917f48b22e400a710af53baabaf681e5e00e5cf60659e8f44d71bc245357. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 22c1917f48b22e400a710af53baabaf681e5e00e5cf60659e8f44d71bc245357, en de alinea staat in dat document op bytes 13277 tot 14479.