Citaat | Gerechtshof Den Haag 27 januari 2015

Alinea 76 Gerechtshof Den Haag 27 januari 2015

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 27 januari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:64.

42. Als niet betwist staat vast dat […] Roham (en ADB) niet heeft geadviseerd om het door Planex op 31 maart 1994 gelegde eigenbeslag in rechte aan te vechten, met een beroep op het verrekeningsverbod en/of de cessie van de huurpenningen aan ADB. Evenmin kan uit het kort-gedingvonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 1994 (ordner CI, tabblad 6.30) worden afgeleid dat […] zich in die procedure heeft beroepen op de cessie van de huurpenningen aan ADB en/of op het verrekeningsverbod uit de huurovereenkomst. Het hof is echter, anders dan [appellant], van oordeel dat deze verweren Roham niet zouden hebben geholpen, en overweegt daartoe het volgende. verwijst in dit verband weliswaar naar andere (eerdere) uitspraken waaruit zij afleidt dat de genoemde verweren ook hier een goede kans van slagen zouden hebben gehad, maar zij miskent hierbij dat de situatie in 1994 wezenlijk (in het voordeel van Planex) was gewijzigd. Planex had immers in 1994 niet meer slechts een vordering op Roham op grond van achterstallig onderhoud, maar de rechtbank Amsterdam had in haar vonnis van 12 januari 1994 geoordeeld dat de huurovereenkomst tussen Roham en Planex nog voortduurde, dat Roham wanprestatie had gepleegd jegens Planex door het huurgenot van de door Planex gehuurde loods sedert 1 september 1990 niet langer te verschaffen, dat Roham op onrechtmatige wijze het faillissement van Planex had uitgelokt en dat Roham aansprakelijk was voor de daaruit voortvloeiende schade. Deze uitspraak behelst ernstige verwijten aan de zijde van Roham, waarvan bovendien voor een ieder duidelijk kon zijn dat deze bij Planex hadden geleid tot een zeer aanzienlijke schade. De kort-gedingrechter heeft in zijn vonnis van 11 mei 1994 dan ook geconcludeerd dat buiten redelijke twijfel was dat de bodemrechter Planex te zijner tijd een aanzienlijke vergoeding zou toekennen. Daar komt nog bij dat Roham en ADB weliswaar niet vereenzelvigd kunnen worden, maar dat er wel sprake is van een sterke band en dat bovendien naar het oordeel van het hof uit de stukken redelijkerwijs niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de cessie aan ADB onderdeel heeft uitgemaakt van de - door de rechtbank Amsterdam in haar vonnis van 12 januari 1994 vastgestelde - wanprestatie en het onrechtmatig handelen van Roham jegens Planex. Alles afwegende is het hof dan ook van oordeel dat een beroep van Roham op het verrekeningsverbod en/of de cessie aan ADB, zowel naar aanleiding van het door Planex gelegde eigenbeslag als in het door Planex aangespannen kort geding, in de gegeven omstandigheden naar alle waarschijnlijkheid door de betreffende rechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (waarop Planex zich in dat geval ongetwijfeld op zou hebben beroepen) onaanvaardbaar zou zijn geacht, en derhalve geen redelijke kans van slagen zou hebben gehad.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/32a723e08082ada0c28a3a2f668c1c129789959ffd938b6ad9c28b4d803c36e7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 32a723e08082ada0c28a3a2f668c1c129789959ffd938b6ad9c28b4d803c36e7, en de alinea staat in dat document op bytes 64450 tot 67345.