Citaat | Gerechtshof Den Haag 2 april 2015
Onder 7.1.1 Gerechtshof Den Haag 2 april 2015
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 2 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:748.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld - verkort en zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte nu er sprake is geweest van een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aangezien door toedoen van de Staat de toegewezen Pakistaanse, Iraanse en Somalische getuigen niet zijn gehoord. Nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuigen (nader) te bevragen is er voorts sprake van schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6 lid 3 onderdeel d EVRM. Tevens zijn er onvoldoende compenserende factoren aanwezig voor het ontbreken van de gelegenheid tot het adequaat en behoorlijk horen van met name de getuigen G1 t/m G5.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2933877632cd3c10bd283b5534eacae59d4d26a12c7e2db0cf43aef5f1ccc395. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2933877632cd3c10bd283b5534eacae59d4d26a12c7e2db0cf43aef5f1ccc395, en de alinea staat in dat document op bytes 20919 tot 21806.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2933877632cd3c10bd283b5534eacae59d4d26a12c7e2db0cf43aef5f1ccc395 | shasum -a 256