Citaat | Gerechtshof Den Haag 5 januari 2016

Onder 1.11. Gerechtshof Den Haag 5 januari 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 5 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:127.

11. Bijzondere omstandigheden die maken dat het CJIB in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een afwijzing van het door [geïntimeerde] gedane betalingsvoorstel, zijn naar het oordeel van het hof niet gebleken. [geïntimeerde] stelt dat zijn situatie bijzonder is vanwege de combinatie van tbs en schadevergoedingsmaatregel. Hij wijst erop dat in zijn geval, in afwijking van de Aanwijzing, de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis eerst aan de orde is gekomen nadat de tbs-maatregel al was uitgevoerd en betoogt dat de strafrechter niet heeft kunnen voorzien dat na de afronding van de tbs-maatregel verdere behandeling van de veroordeelde noodzakelijk was en nog steeds is, “met als gevolg ernstige beperkingen in betalingsmogelijkheden in het kader van de schadevergoedingsmaatregel” (MvA 10). Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet, reeds niet omdat het opgelegde totaalbedrag zo hoog is dat destijds ook voor de strafrechter, die overigens bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel geen rekening hoeft te houden met de draagkracht (HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6246), al duidelijk moet zijn geweest dat [geïntimeerde] dit naar alle waarschijnlijkheid niet zou kunnen betalen binnen de in de Aanwijzing vermelde termijnen, en in elk geval niet vóór 1 juni 2031 (datum executieverjaring). [geïntimeerde] merkt nog op dat ook na die datum betalingen kunnen worden verricht, maar niet valt in te zien in hoeverre dan nog gesproken zou kunnen worden van een betaling binnen “redelijke termijn” als hierboven (onder 8) bedoeld. De strafrechter heeft desondanks kennelijk geen aanleiding gezien om de duur van de vervangende hechtenis te matigen; tot een motivering van deze beslissing was de strafrechter niet verplicht. Nu [geïntimeerde] geen hoger beroep heeft ingesteld, is het strafvonnis onherroepelijk geworden en vormt het in dit geding een gegeven. Daaraan doet niet af het door [geïntimeerde] gestelde feit dat hij de behandeling van zijn strafzaak in 2004 “niet bewust heeft meegemaakt” vanwege zijn psychische toestand (MvA 21); dit rechtvaardigt geen uitzondering op de leer van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Met de door [geïntimeerde] aangevoerde bijzondere omstandigheden heeft de Staat overigens in zoverre al rekening gehouden dat [geïntimeerde] feitelijk een betalingsregeling is toegestaan gedurende bijna zeven jaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a44eee9701f3aa9b2224eb5fb1a8247607f86afa891472783b0414afd6c7936. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a44eee9701f3aa9b2224eb5fb1a8247607f86afa891472783b0414afd6c7936, en de alinea staat in dat document op bytes 18698 tot 21118.